Terugblik op PUC schoolleidersbijeenkomst 

Terugblik op PUC schoolleidersbijeenkomst 

Op 12 november 2021 vond een hybride schoolleidersbijeenkomst plaats waarin onderzoek op het gebied van executieve functies en urban mentoring centraal stonden. In dit artikel vertellen we over beide onderzoeken. 

Executieve functies
Mariette Huizinga (VU) heeft onderzoek naar executieve functies gedaan. In het kader van de coronacrisis en achterstanden zou aandacht voor deze functies een oplossing kunnen zijn voor het probleem. Maar wat zijn executieve functies?

  1. Een verzameling essentiële cognitieve functies (denkfuncties) om doelgericht en sociaal aangepast gedrag mogelijk te maken.
  2. Ze worden in mindere of meerdere mate bewust ingezet bij bijna alles wat we doen.
  3. Ze houden belangrijke informatie in gedachten, reflecteren op die informatie in de context van nieuwe situaties, onderdrukken oude manieren van reageren en overwegen nieuwe acties op een flexibele manier.
  4. We kunnen executieve functies niet zien. We zien wél het gedrag dat ermee samenhangt.

 

De basis van deze executieve functies is dat je je impulsen de baas blijft (inhibitie), je met verandering om kan gaan (cognitieve flexibiliteit) en je actief je geheugen kan gebruiken (werkgeheugen). Denk dan aan vooruitdenken (planning en organisatie), effectief omgaan met emoties (emotieregulatie), inzicht hebben in eigen gedrag (gedragsevaluatie) en een probleem (h)erkennen en een plan maken voor een oplossing (probleemoplossen). Al deze zaken maken het leren en presteren makkelijker en efficiënter.

Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Hoe ga je hier dan mee om in de klas en hoe leer je dat de leerlingen aan? Er zijn namelijk veel individuele verschillen in executieve functies. Ze uiten zich in verschillen in de kwaliteit van bijvoorbeeld: schoolrijpheid, rekenen en lezen, levenskwaliteit, professioneel succes en gezondheid. Leren en schools presteren hangen niet één-op-één samen met executieve functies. Een belangrijk rol speelt ook de eerdere ervaringen en de kansen die je krijgt. Maar ook de individuele verschillen spelen een rol, bijvoorbeeld het belang dat aan school wordt gehecht, de motivatie, studievaardigheden en intelligentie van de leerling. Ook de rol van contextfactoren is erg groot.

De conclusie van Mariette Huizinga is dat de vraag “Wat heeft dít kind nodig, in déze situatie, in déze context?” heel belangrijk is. Maatwerk is dus het credo!

Urban mentoring
Ismintha Waldring (VU) vertelde over het interventieonderzoek urban mentoring van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Vrije Universiteit Amsterdam. Waarom dit onderzoek? In Rotterdam en Amsterdam bleek dat een relatief groot percentage vwo- en gymnasiumleerlingen afstroomt naar een lager onderwijstype. Het betreft leerlingen met een lage sociaaleconomische status en/of migratieachtergrond. Het gaat dan om verlies aan grootstedelijk talent. Vanuit een social justice perspectief zou er alles aan gedaan moeten worden om deze leerlingen te behouden voor de onderwijstypes die leiden naar de universiteit.

Het onderzoek richt zich op leerlingen met vwo-advies in Amsterdam en Rotterdam die in de derde of vierde klas zitten. Het ging om leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond, met ouders die geen hoger onderwijsdiploma hebben of uit huishoudens met lagere inkomens. De voortijdige afstroom lijkt zich vooral voor te doen onder de reeds ondervertegenwoordigde groepen in het vwo. Het onderzoek is in Amsterdam en Rotterdam op andere onderwerpen gedaan:

  • Amsterdam: De afstroom onder leerlingen met migratieachtergrond (10 procent) is meer dan tweemaal zo hoog als onder leerlingen zonder migratieachtergrond (4,6 procent).
  • Rotterdam: Hoe hoger de inkomensgroep, des te lager de afstroom.

Ingrediënt voor het onderzoek was dat alle leerlingen een student-mentor hadden. Er waren experimentele- en controleklassen. De student-mentoren richtten zich op school belonging, motivatie, hulp vragen en vertrouwen in eigen kunnen. Door de coronapandemie heeft het onderzoek wel wat moeilijkheden ondervonden. Dus het resultaat is dat er vrijwel geen significante effecten zijn, maar wel een trend die wijst op mentoring als buffer. Een leerling uit Rotterdam vertelde: “Ik denk dat dat vooral komt doordat mijn mentor mij en het meisje waarmee ik in het groepje zat, ons altijd veel complimenten gaf en onze goede eigenschappen benadrukte in plaats van te zeggen wat beter kon. Dat hielp mij ook om mijn goede eigenschappen te ontwikkelen en dat heeft me wel erg gemotiveerd.”

Als je vragen over deze onderzoeken hebt, neem dan contact op met Loes Mulders (PUC).

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.