
18 jun Een nieuwe generatie ‘no future’?
Ik ben van 1962. Ik groeide op in de jaren tachtig, in een tijd van werkloosheid, grote zorgen over kernoorlog en een breed gevoel van somberte. Het woord no future was toen niet zomaar een slogan of een thema in de popmuziek, maar voor veel jongeren echt een gevoel: komt het nog wel goed, en is er straks wel een plek voor mij? Soms denk ik: die vraag hangt ook nu weer in de lucht.
Jongeren van nu groeien op met oorlogen die via hun telefoon voortdurend dichtbij komen. Ze horen dat AI banen gaat veranderen of misschien zelfs overnemen, vooral de banen uit het hoger onderwijs. Ze zien hoe moeilijk het is om later een huis te krijgen, stellen het starten van een gezin uit. Ze voelen prestatiedruk, moeten vroeg keuzes maken en krijgen intussen het idee dat ze vooral wendbaar, weerbaar en succesvol moeten zijn. En tot welke leeftijd moeten ze werken? Dat is nogal wat.
Ik denk niet dat we één op één kunnen zeggen dat dit opnieuw de jaren tachtig zijn. Daarvoor is de wereld van nu te anders. Maar het gevoel van onzekerheid herken ik wel degelijk. Misschien uit het zich nu minder in openlijk verzet en meer in twijfel, in vermoeidheid, in het stille gevoel dat de toekomst niet vanzelfsprekend iets is om naar uit te kijken.
Juist daarom raakt dit direct aan de aansluiting tussen voortgezet en hoger onderwijs. Die aansluiting gaat natuurlijk over kennis en vaardigheden, maar daar mag het niet bij blijven. In deze tijd gaat het ook over vertrouwen. Over de vraag of jongeren ervaren dat onderwijs hen echt helpt om hun weg te vinden in een ingewikkelde wereld. Als wij leerlingen alleen maar zo goed mogelijk proberen ‘af te leveren’ aan het hoger onderwijs, doen we te weinig. En als het hoger onderwijs vooral kijkt naar wat studenten nog niet kunnen, doen we dat ook. Dan reduceren we de overgang tot een technisch probleem, terwijl het ook een menselijke en maatschappelijke opdracht is.
We moeten jongeren niet alleen voorbereiden op een studie, maar ook op een toekomst die onzeker voelt. Dat vraagt om eerlijkheid én perspectief. Eerlijkheid over de wereld zoals die is. Maar ook perspectief: laten zien dat kennis, opleiding, vorming en begeleiding er nog altijd toe doen. Daar ligt volgens mij een gezamenlijke opdracht voor vo en ho. Niet alleen zorgen voor een soepelere overstap, maar jongeren helpen om toekomstvertrouwen te ontwikkelen. Dat is misschien wel de belangrijkste vorm van aansluiting die er is.
Want de belangrijkste vraag is niet of er een nieuwe generatie no future ontstaat. De echte vraag is: wat doen wij in het onderwijs om dat te voorkomen?
Over de auteur
Freek op ’t Einde, rector van het Cygnus Gymnasium in Amsterdam.
Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.